Nootspraak deel 1: Marc de Leeuw
Ontmaskerd achter het koraalboek van Drenth
Voor wie wel eens een compositie van Marc de Leeuw op de lessenaar zet, rijst al snel de vraag: wie is hij eigenlijk als componist: een romanticus of toch eerder een barokman? Wanneer Marc zelf zijn verhaal vertelt, wordt duidelijk dat zijn muzikale ontwikkeling zich niet in één stijl laat vangen, maar gelaagd is opgebouwd.
Het begint eenvoudig, op de orgelbank naast zijn vader in het Zeeuwse Rilland, in de wereld van de ‘refo-romantiek’ en de lp’s van Klaas-Jan Mulder. Van daaruit volgt een volgende laag: Bach. En weer later verbreedt zich dat palet via Mendelssohn, Vierne tot Messiaen toe. Zijn verschillende orgeldocenten hebben die lagen vervolgens verdiept en verder gekleurd. Wie zijn composities speelt of beluistert, hoort die gelaagdheid nog altijd terug. In gesprek met de veelzijdige Marc de Leeuw.
Marc, kun je iets vertellen over jezelf?
“Marc de Leeuw, 45 jaar, geboren in Rilland (Zld), ik woon in Stolwijk, ben getrouwd en heb vier kinderen. In het dagelijkse leven ben ik actief als zelfstandig medisch schrijver. Mijn achtergrond is apotheker en ik schrijf nascholingen voor apothekers en huisartsen. Daarnaast schrijf ik vooral veel interviews voor verschillende medische vakbladen en zit ik met mijn neus boven op de nieuwste ontwikkelingen rond geneesmiddelbehandelingen.”
Wanneer is het ‘orgelvlammetje’ gaan branden?
“Voor orgelspelen geldt dat het vlammetje is gaan branden tijdens de ’s zondagse kerkdiensten, waarin ik als klein jongetje in de Gereformeerde Gemeente van Rilland op de orgelbalustrade naast mijn vader zat. De lp’s met improvisaties van Klaas Jan Mulder, opgenomen in oktober 1968 in de St. Hippolytuskerk in Delft zijn een belangrijke stimulator geweest. Wat een prachtige akkoorden hoorde ik! Die moest ik ook kunnen. Zo is de liefde tot improviseren en harmoniseren ontstaan. De liefde tot Bach ontstond op mijn zestiende, dat weet ik nog heel bewust, toen ik Klaas Jan Mulder de Toccata en Fuga in F-dur in Bolsward hoorde spelen. Ik ging toen op onderzoek uit in welke Petersband die Toccata toch wel niet stond. Gaandeweg ging ik meer literatuur luisteren en ontstond er interesse voor de bredere orgelliteratuur, van Mendelsohn tot Vierne. Mijn liefde tot improviseren en componeren werd verder aangewakkerd tijdens een zangavond in Rilland waarop ik ons kerkkoor mocht begeleiden. Organist van het gastkoor uit Zwijndrecht was de nu bekende componist Gerard de Wit, die toen veertien jaar oud was. Man, wat kon die kerel improviseren! Het was in de lijdenstijd en op mijn verzoek improviseerde hij over psalm 22. Een koraalbewerking met gecoloreerde cantus firmus. Alsof het gedrukt stond. Vanaf dat moment heb ik me sterk toegelegd op improviseren. Iets wat ik altijd nog heel graag doe, al haal je als amateur natuurlijk nooit het niveau dat je zou willen.”
Wat is je lievelingsorgel?
“Er zijn in Nederland veel mooie orgels. Als ik persé een nummer één moet noemen, is dat het Schnitger/Timpe/Van Oeckelen-orgel in de der Aakerk in Groningen. Die snuivende Prestant 8 van het Rugwerk…. Dit orgel heeft een plenum waar ik kippenvel van krijg. Die ietwat hese Mixtuur van Doornbos op het Hoofdwerk gecombineerd met de Scherp van Schnitger op het Rugwerk aangevuld met de rest van de prestanten en de Bazuin van het Pedaal levert zo’n fantastische klank op. Daarnaast kun je met de Van Oeckelen- en Timpe-registers ook uitermate romantische klanken tevoorschijn toveren. Een echt compromisorgel! En dan die akoestiek… Andere favoriete orgels zijn de ‘Knol’ in Hasselt, de Jacobijnerkerk in Leeuwarden – wat een brute mixturen en tongwerken – en de Martinikerk in Groningen, één grote snoeptrommel met de prachtigste registers, die individueel van zeer hoge klankkwaliteit zijn.”
Je bent inmiddels al heel wat jaren actief als organist. Hoe is dat begonnen en hoe kijk je terug op die eerste ervaringen?
“Ik ben kerkorganist in de Hervormde Gemeente (Gereformeerde Bond) van Stolwijk. Daarvoor was ik jarenlang organist in de Gereformeerde Gemeente in Rilland, waar ik mijn eerste voorzichtige schreden heb gezet op het pad van het begeleiden van de gemeentezang. Ik was een jaar of veertien oud toen mijn vader, die organist was in Rilland, me eindelijk zo ver kreeg om eens een keer de tussenzang halverwege de preek – zoals gebruikelijk in de Gereformeerde Gemeenten – te spelen. In Rilland was het de gewoonte om de tussenzang zonder voorspel in te zetten, met een ‘toontje vooraf’. Makkelijk voor een beginnende en bibberende organist. Al gauw kreeg ik de smaak te pakken en volgde mijn benoeming tot reserve-organist en later tot vaste organist. Toen speelde ik uiteraard wel voorspelen… en ontwikkelde ik het ‘lef’ om af en toe spontaan eens wat te improviseren. Van mijn eerste ‘volledige’ dienst herinner ik me niets meer.”
Je hebt les gehad van verschillende docenten. Welke invloed hebben zij op jouw ontwikkeling als organist gehad?
“Mijn eerste orgelles kreeg ik van mijn vader, klavarspeler en beginnend notenspeler, daarna van mijn moeder die het notenschrift wel goed beheerste. Al snel ging ik naar Rinus Melis in het naburige Krabbendijke, een plaatselijke grootheid. In mijn middelbare schooljaren ging ik naar Johan Nijsse in Goes, die toen studeerde aan het conservatorium in Den Haag. Dat verbreedde mijn horizon. Later, tijdens mijn studie, ging ik naar Kees van Eersel in de Grote of Maria Magdalenakerk in Goes. Ik herinner me dat ik op de eerste les bij Van Eersel vol goede moed het slotdeel van de derde Triosonate van Bach speelde. De noten kon ik wel, maar mijn techniek vond Van Eersel nogal onder de maat. Dus dat werd bijspijkeren, onder zijn gestrenge begeleiding, compleet met vingeroefeningen. Iets waar ik nog steeds profijt van heb, want een goede techniek komt altijd van pas. Verder leerde ik bij Van Eersel om nog preciezer te spelen – vingerzettingen! – en goed te articuleren. Later leste ik op hetzelfde orgel bij Arno van Wijk. Een totaal andere docent; een gezellige en flamboyante Brabander, die vooral de grote lijnen in een stuk benadrukte en ook gezellig even met je koffiedronk. Hij liet me de tweede triosonate van Bach spelen, grotendeels zonder vingerzettingen, want ja, als je het maar vaak genoeg doet, wordt je spiergeheugen actief en komen die vingers vanzelf op hun plek. Een groot verschil met Van Eersel, maar deze opvatting had ook wel wat. Bij Van Wijk mocht ik voor het eerst ‘ruiken’ aan Vierne en Messiaen. Daar leer je noten van lezen.”
Op KoraalBoek.nl staan enkele composities van jou. Hoe ben je begonnen met componeren en hoe heeft zich dat verder ontwikkeld?
“Ik ben begonnen met ‘stiekem’ improviseren. Thuis met de koptelefoon op achter het orgel ben ik aan het experimenteren gegaan met psalmen harmoniseren en bewerken, heel basic. Ik dacht: dit is helemaal niks, ik houd dit lekker voor mezelf. Totdat ik een keer ‘stiekem’ een eigen voorspel in de kerk speelde, schijnheilig met het koraalboek van Drenth voor mijn neus. Mijn vader vroeg na de dienst van wie dat leuke voorspel bij Psalm 119 was. Tsja, toen moest ik bekennen…. Dat was tegelijk een aanmoediging om door te gaan met voorspelen ‘zelf verzinnen’, het klonk blijkbaar niet gek. Ooit deed ik mee aan een compositiewedstrijd voor het Reformatorisch Dagblad, waarbij mijn compositie ‘gekraakt’ werd door deskundige juryleden. Dat was erg leerzaam en ook wat ontnuchterend, want een leuk idee omzetten in verantwoorde muziek vergt toch de nodige muziektheoretische kennis. Ik ben toen wat zelfstudie gaan doen en later ook mijn composities gaan voorleggen aan Arno van Wijk. En verder is het een kwestie van heel goed luisteren wat anderen doen en veel zelf oefenen. Door de jaren heen rijpte dat allemaal wat. Ik was ongeveer twintig toen ik mijn eerste bundel – variaties over psalm 3 – schreef en uitgaf bij Cor van Dijk, van – toen nog – uitgeverij Cantique in Rijssen, die er wel brood inzag. Toen volgden nog diverse bundels, de laatste over psalm 84 eind vorig jaar.”
Hoe ontstaan jouw composities meestal? Begin je achter een bureau of achter het orgel?
“Ik componeer heel soms uit het hoofd. Dan is het als het ware ‘een puzzel leggen’. Dat deed ik wel eens op vakantie bijvoorbeeld, als ik geen orgel tot mijn beschikking had. Maar verreweg de meeste composities ontstaan al improviserend achter het orgel. Soms werk ik een opname uit van een improvisatie, die bijvoorbeeld live tijdens een zangavond ontstond. Het voordeel daarvan is dat je altijd een soort muzikale ‘flow’ in je stuk hebt, want bij improviseren ‘moet je door’. Feitelijk zijn mijn meeste composities ontstaan door regel voor regel over een psalmvers te improviseren/mediteren achter mijn orgel thuis. Tijdens het improviseren ervaar ik meestal een zichzelf versterkende creativiteit. De ene vondst leidt vaak tot de andere, ik hoor in mijn hoofd ineens dingen die ik niet hoor als ik uit mijn hoofd iets op papier probeer te zetten. Dus voor mij niet componeren achter een bureau, maar achter het orgel. Hauptwerksamplesets zijn daarbij zeer inspirerend.”
Heb je compositieles gehad?
“Ik heb feedback gehad op composities van diverse docenten, onder meer van Gerben Mourik en Margreeth de Jong, bij wie ik incidenteel wel eens een les volgde. Grappig en interessant is om te merken dat professionele improvisatoren en componisten nogal verschillende opvattingen kunnen hebben over het volgen van de muzikale regels. Je hebt daarbij de ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’. En ja, zelfs bij Bach komen weleens wendingen in zijn muziek voor die muziektheoretisch niet zouden mogen – bijvoorbeeld een overgang van een verminderde naar een open kwint – maar Bach mocht blijkbaar alles…
Hoe omschrijf je je eigen stijl?
“Mijn stijl fluctueert een beetje. Meestal schrijf ik in barokstijl, bijvoorbeeld mijn variaties over psalm 101 en psalm 84, die uitgegeven zijn bij Cantique respectievelijk Opus 10. Soms krijg ik een uitgesproken romantische inval, dat was bijvoorbeeld het geval bij mijn bundel met variaties over psalm 86, waar ik redelijk barok begon, maar in de laatste variaties zelfs wat invloeden van Mendelsohn en César Franck begonnen mee te spelen. Strikt genomen moet je in één reeks variaties natuurlijk wel één stijl hanteren, maar het liep gewoon zo… Uitgesproken romantisch waren mijn variaties over psalm 32 die in 2015 in de VOGG-bundel uitkwamen, de stijl varieerde daarbinnen een beetje van Zwart/Asma tot Mendelsohn. Achteraf gezien misschien wel een beetje te romantisch voor een VOGG-bundel…. Soms is het lastig om met alle muziek in je achterhoofd, consistent in stijl te blijven. We leven tenslotte nu in de 21e eeuw en dan is het geen wonder dat er invloeden uit diverse stijlperioden in je componeerstijl terugkomen. Ik heb niet echt een voorbeeldcomponist, al spiek ik natuurlijk weleens bij Bach en tijdgenoten. Daarnaast spreekt Mendelsohn me erg aan en ben ik opgegroeid in de ‘refo-romantische’ traditie waarbinnen de muziek van Asma, Zwart en Mulder een grote rol speelden. En ik kan nog steeds genieten van samenzang, begeleid door Heykoop of Mulder. Verder kan ik ook van de Katwijkse mannenzang genieten en de wijze waarop Marco den Toom met goed in het gehoor liggende, doch vaak zeer inventieve, voorspelen het publiek tot zingen weet te stimuleren. Aan de andere kant geniet ik ook enorm van de perfecte en strakke begeleiding van organisten als Gerben Budding, Rien Donkersloot en Sietze de Vries. Ook koormuziek spreekt me erg aan, vooral Engelse. Voor koorbegeleiding mag je me wakker maken. Dat doe ik niet vaak, maar wel heel graag.”
Wat voor soort muziek componeer je?
“Ik heb tot nog toe uitsluitend koraalgebonden muziek gecomponeerd. De behoefte om vrije werken te maken heb ik nog nooit gehad. Ik zou eigenlijk niet weten waar ik moet beginnen. Psalmmelodieën zijn de sterkste thema’s die je maar kan vinden en bieden in combinatie met de tekst oneindige inspiratie. Ze wakkeren een altijd brandend vuurtje in me aan. Bovendien speelt bij het componeren ook de behoefte mee om dienstbaar te zijn aan mijn niet improviserende en/of componerende collega-amateurkerkmuzikanten. En dan kom je dus uit op met name Psalmgebonden composities. Soms speel ik met de gedachte om ook eens wat te gaan doen met bekende Opwekkingsliederen. In de PKN ontsnap je er niet aan om tijdens bijzondere diensten of zangavonden af en toe Opwekkingsliederen te spelen op het orgel of de piano, daardoor heb ik wat meer affiniteit gekregen met het begeleiden van Opwekkingsliederen. Dat zie ik ook als een stukje dienstbaarheid. Eerlijk gezegd heb ik er wel een haat-liefdeverhouding mee, zowel in theologisch als muzikaal opzicht, maar om spelen hiervan pertinent te weigeren, gaat me te ver. Je dient in je spel in de eerste plaats God en de gemeente waarin je een plek hebt gekregen. Scherpslijperij past daar niet bij. Wel is het voor mij nog een beetje een zoektocht in hoeverre je als organist moet meebewegen met de toenemende zucht naar Opwekkingsliederen. Want een schat aan zeer goede kerkmuziek blijft er hierdoor liggen…”
Wat was eigenlijk je eerste compositie?
“Dat zou ik eigenlijk niet meer precies weten, dat was vast een krabbeltje over een Psalm. Mijn eerste officiële uitgave was Psalm 3 bij Cantique in Rijssen, tegenwoordig Opus 10, in 2006. Met de kennis van nu had ik het toen anders gedaan, om het maar politiek te formuleren. Er zaten variaties in waar ik steeds nog wel achter kan staan, maar door sommige – of de meeste – zou ik nu wel een rode streep halen, denk ik. Zoiets als voortschrijdend inzicht, rijping of hoe je het ook wilt noemen.”
Gaat componeren je makkelijk af?
“Als ik eenmaal een idee heb, kan het vrij rap gaan. Bij de ene psalm gaat het makkelijker dan de andere. Krachtige melodieën, zoals die van psalm 84, met een mooie kwintsprong aan het begin, kunnen erg inspirerend werken. En soms heb ik meer variaties in mijn hoofd dan het aantal coupletten dat een psalm heeft, dus in die zin is er geen gebrek aan inspiratie. Meestal heb ik meer inspiratie dan tijd om dingen op te schrijven. Ideeën ontstaan vaak ’s zondags tijdens de kerkdienst of als ik eens ergens op een mooi orgel speel, zoals de Jacobijnerkerk in Leeuwarden, de ‘Knol’ in Hasselt, de der Aa-kerk of Martinikerk in Groningen.”
Welke van je eigen composities vind je het best gelukt?
“Het fugato over psalm 32 dat ik, geïnspireerd door Mendelsohn, schreef voor de VOGG-bundel in 2015, vind ik tot nog toe mijn beste compositie. Of is het toch psalm 84 vers 5 uit mijn nieuwe bundel, geïnspireerd door Krebs? Daar ben ik niet helemaal uit. Ook het fugato over psalm 86 vers 5 in romantische stijl scoort wel hoog…”
Krijg je reacties op je composities?
“Geregeld krijg ik positieve reacties en de vraag om meer te schrijven of om bijvoorbeeld een voorspel dat ik ooit improviseerde op papier te zetten. De wil is er zeker, maar de tijd is mijn grootste vijand. Met een druk gezin en veel werk als medisch schrijver, schiet de muzikale schrijverij er meer bij in dan me lief is. Ik heb een uitgever beloofd dit jaar nog met een nieuwe bundel Psalmbewerkingen te komen. Dus er zit nu wat druk op de ketel…
Heb je plannen voor muziek die je nog wilt gaan componeren?
“Absoluut, altijd komen er weer nieuwe ideeën opborrelen en er zijn ook genoeg ‘oude’ ideeën die ik nog zou willen opschrijven. Het liefste wil ik over minimaal alle bekende psalmen nog eens iets schrijven en over een aantal onbekende die toch wel een bijzonder mooie melodie hebben, zoals psalm 28 – die ook een zeer mooie tekst heeft - 83 en 94.”
Tot slot: welke kansen zie je nog voor KoraalBoek.nl?
“Ik denk dat koraalboek.nl nog meer kan winnen op het gebied van de kwaliteit van de composities. Tegelijkertijd moet de drempel om te componeren ook weer niet te hoog zijn, want de veelzijdigheid is juist ook weer uniek aan deze site en het moet ook een beetje gezellig blijven…. Dat is een spanningsveld. Zou het misschien een idee zijn om elk jaar een soort componistendag te organiseren, waarbij ervaren en vakkundige componisten tips en trucs geven? En een stukje muziektheorie over wat nu wel en absoluut niet mag/kan op compositiegebied. De onderlinge ontmoeting kan daarbij ook stimulerend werken en je deelt – eenieder op zijn niveau – met elkaar toch dezelfde passie. Een ander idee dat me te binnenschiet: zou het een optie zijn om een soort poll in het leven te roepen waarop organisten kunnen aangeven van welke psalmen ze graag nieuwe voorspelen zouden willen hebben?”
Bekijk hier de composities van Marc: https://koraalboek.nl/componist/4f98db6c-6d1f-436e-9a7c-090f6ca263d6
De komende tijd verschijnt iedere vrijdag een nieuwe aflevering van Nootspraak, een serie interviews met componisten van KoraalBoek.nl.
Volgende week: deel 2 met Liesbeth Martinu-Hol: ‘Eerste vrouw in driehonderd jaar’.